Noodzaak van verduurzaming van onze energie voorziening: vraag en antwoord

Door op de vraag te klikken verschijnt het antwoord. 

De meeste energie die we in Nederland gebruiken, komt uit fossiele brandstoffen. Bij de verbranding komt CO2 vrij die in de atmosfeer terecht komt. Er is algemene wetenschappelijke consensus dat hierdoor de tempratuur op aarde stijgt en dit ingrijpende gevolgen heeft voor mens, dier en natuur. Nederland sluit zich aan bij het klimaatakkoord van Parijs om de tempratuurstijging en daarmee klimaatverandering binnen de perken te houden. Daarom is het belangrijk dat we fors minder fossiele brandstoffen gaan gebruiken. Dat kan enerzijds door ons gebruik van energie verder te beperken, door energiebesparende maatregelen te nemen. Anderzijds door over te stappen op bronnen die energie produceren zonder CO2 uit te stoten. Dat zijn onder andere wind, zon, water en aardwarmte.

Nederland heeft het wereldwijde Klimaatakkoord van Parijs ondertekend, net als bijna alle landen in de wereld. Het belangrijkste doel is voor het jaar 2050 een reductie van 95% CO2 uitstoot ten opzichte van 1990. Dit betekent dat we dan een nagenoeg CO2 emissie loze maatschappij hebben en we bijna enkel hernieuwbare bronnen gebruiken. De afspraken van ‘Parijs’ zijn in Nederland medio 2019 stevig verankerd door de Klimaatwet en het nationaal Klimaatakkoord. In de wet is vastgelegd dat we in 2030 49% minder CO2 moeten uitstoten en in 2050 95% minder ten opzichte van 1990. In het Klimaatakkoord staat hoe we dat gaan doen. De inhoudelijke maatregelen in het Klimaatakkoord zijn afgesproken met de maatschappelijke partijen die aan de Klimaattafels deelnamen. Het RES (Regionale Energie Strategie) proces dat nu, onder andere in de regio U16 waar de gemeenten Lopik, Oudewater, IJsselstein en Montfoort deel van uitmaken, wordt doorlopen is een resultaat van de ‘klimaattafel Elektriciteit’ van het Klimaatakkoord.

De RES regio U16, waar de gemeenten Lopik, Oudewater, IJsselstein en Montfoort onderdeel van zijn, hebben zich in het concept-bod ten doel gesteld in 2030 binnen de regio 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. Dit gebeurt deels door het benutten van geschikte daken voor zonnepanelen. Deels met zonnepanelen op grond en water en deels met windmolens. In de concept RES U16 is de volgende illustratie gegeven van een mogelijke invulling van de ambitie: “1,8 TWh is haalbaar met 15% benutting van grote dakoppervlakken plus circa 45 grote windmolens en circa 800 hectare zonnevelden”.

Vragen met betrekking tot wind-energie

De meeste energie die we in Nederland gebruiken, komt uit fossiele brandstoffen. Bij de verbranding komt CO2 vrij die in de atmosfeer terecht komt. Er is algemene wetenschappelijke consensus dat hierdoor de tempratuur op aarde stijgt en dit ingrijpende gevolgen heeft voor mens, dier en natuur. Nederland sluit zich aan bij het klimaatakkoord van Parijs om de tempratuurstijging en daarmee klimaatverandering binnen de perken te houden. Daarom is het belangrijk dat we fors minder fossiele brandstoffen gaan gebruiken. Dat kan enerzijds door ons gebruik van energie verder te beperken, door energiebesparende maatregelen te nemen. Anderzijds door over te stappen op bronnen die energie produceren zonder CO2 uit te stoten. Dat zijn onder andere wind, zon, water en aardwarmte.

Nederland heeft het wereldwijde Klimaatakkoord van Parijs ondertekend, net als bijna alle landen in de wereld. Het belangrijkste doel is voor het jaar 2050 een reductie van 95% CO2 uitstoot ten opzichte van 1990. Dit betekent dat we dan een nagenoeg CO2 emissie loze maatschappij hebben en we bijna enkel hernieuwbare bronnen gebruiken. De afspraken van ‘Parijs’ zijn in Nederland medio 2019 stevig verankerd door de Klimaatwet en het nationaal Klimaatakkoord. In de wet is vastgelegd dat we in 2030 49% minder CO2 moeten uitstoten en in 2050 95% minder ten opzichte van 1990. In het Klimaatakkoord staat hoe we dat gaan doen. De inhoudelijke maatregelen in het Klimaatakkoord zijn afgesproken met de maatschappelijke partijen die aan de Klimaattafels deelnamen. Het RES (Regionale Energie Strategie) proces dat nu, onder andere in de regio U16 waar de gemeenten Lopik, Oudewater, IJsselstein en Montfoort deel van uitmaken, wordt doorlopen is een resultaat van de ‘klimaattafel Elektriciteit’ van het Klimaatakkoord.

De RES regio U16, waar de gemeenten Lopik, Oudewater, IJsselstein en Montfoort onderdeel van zijn, hebben zich in het concept-bod ten doel gesteld in 2030 binnen de regio 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. Dit gebeurt deels door het benutten van geschikte daken voor zonnepanelen. Deels met zonnepanelen op grond en water en deels met windmolens. In de concept RES U16 is de volgende illustratie gegeven van een mogelijke invulling van de ambitie: “1,8 TWh is haalbaar met 15% benutting van grote dakoppervlakken plus circa 45 grote windmolens en circa 800 hectare zonnevelden”.

Nederland is een echt windland, het waait hier vaak en hard. Windenergie is effectief in de strijd tegen de klimaatverandering omdat windmolens bij het opwekken van windenergie geen fijnstof, stikstofoxiden en zwaveldioxide uitstoten. Windenergie is schoon, onuitputtelijk en in Nederland de goedkoopste vorm van duurzame energie.

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de energie die nodig is om een windturbine te produceren, te bouwen en te onderhouden, na drie tot zes maanden draaien van de windturbine is terugverdiend.

Geluid van een windmolen wordt veroorzaakt door de draaiende rotorbladen (aerodynamisch geluid) en bewegende delen (mechanisch geluid) zoals de generator en tandwielkast. Bij moderne turbines is dit laatste type geluid ondergeschikt. De hoeveelheid geluid die een windmolen produceert is (bij dezelfde windsnelheden) gelijk in de dag, avond en nachtperiode. Er zijn dus niet echte piekgeluiden te onderscheiden. Het geluid wordt waargenomen als een geluid met een zoevend karakter. Overdag is dit normaal gesproken niet hoorbaar vanwege allerlei achtergrondgeluiden, ’s nachts kan dit afhankelijk van het overige omgevingsgeluid wel waargenomen worden. In Nederland bedraagt de norm op de gevel maximaal 47 decibel Lden (gemiddelde van de dag, avond en nacht over lange duur, hierbij krijgt het geluid in de avond en nacht een ‘boete’ van 5 of 10 dB) en 41 decibel Lnight (gemiddelde geluidniveau over alle nachten in een jaar). Bij de locatiekeuze voor de windmolens wordt rekening gehouden met de geluidsnorm, zodat daaraan wordt voldaan. Windmolens kunnen daarnaast in zogeheten ‘geluidsmodus’ opereren. Dan produceert de molen minder geluid maar ook minder elektriciteit. Als uit geluidsonderzoek blijkt dat het nodig is deze modus op momenten toe te passen, wordt dat in de Omgevingsvergunning vastgelegd.

Voor wat betreft de verplichte afstand van plaatsing van windmolens ten opzichte van woningen bestaat geen landelijke norm, richtlijn of andere vorm van regelgeving. Het plan, geborgd in de omgevingsvergunning, moet voldoen aan het wettelijke criterium van goede ruimtelijke ordening (of woon- en leefklimaat). Er zijn geen wettelijke eisen gesteld aan minimale afstanden tussen windmolens en woningen. Er gelden wel, zoals eerder beschreven, normen voor geluid, die vervolgens in de praktijk tot minimale afstanden leiden. In de praktijk leidt dit tot indicatieve minimale afstand van circa 400 meter.

Als de zon op de mast en de rotor van een windturbine schijnt, veroorzaakt dit een bewegende schaduw. We noemen dit slagschaduw. Als slagschaduw op het raam van een woning valt, kan de wisseling tussen schaduw en zon hinderlijk zijn, doordat deze wordt ervaren als flikkering. Dit geldt vooral in het voor- en najaar, als de zon lager staat. In de wet is vastgelegd hoeveel slagschaduw er jaarlijks op een woning mag vallen. De wet schrijft voor dat de hinderduur door slagschaduw jaarlijks gedurende niet meer dan 17 dagen meer dan 20 minuten mag bedragen. In praktijk wordt hiervoor veelal maximaal 6 uur slagschaduw per jaar gehanteerd, dit is een iets strengere maar versimpelde benadering van de norm. Om te voorkomen dat de wettelijke norm op het gebied van slagschaduw overschreden wordt, worden er maatregelen aan de windmolens genomen. De windmolen wordt uitgerust met een stilstandvoorziening. Dat houdt in dat windmolens zo worden geprogrammeerd dat zij op tijden waarop ze meer dan wettelijk toegestane slagschaduwhinder veroorzaken én dat de zon schijnt, worden stilgezet.

Veiligheid speelt een belangrijke rol in de gehele ontwikkeling, bouw en beheer van een windmolen. Elke windmolen moet in Nederland gecertificeerd zijn. Deze certificering is een waarborg dat de constructie van de windmolen uitgebreid gecontroleerd is op tal van risico’s. Ook moet bij de locatiekeuze voor een windpark onderzocht en aangetoond worden dat er voldoende afstand wordt gehouden tot autowegen, spoorwegen, hoogspanningsleidingen en tot ondergrondse (gas)transportleidingen en dergelijke.

De omgeving van het plangebied is waardevol voor weidevogels. De zones met grasland iets verder van bijvoorbeeld het Bedrijven terrein de Copen af gelegen zijn in provinciaal beleid aangewezen als ‘weidevogelleefgebied’. Daarmee zijn windmolens niet uitgesloten maar wordt er bij het uitwerken van de plannen wel extra aandacht gevraagd voor de kwaliteit van het gebied voor weidevogels. Onderdeel van het vervolgproces beschreven bij vraag 12, is uitvoerig onderzoek naar ecologie en specifiek weidevogels.

Niet als je het vergelijkt met het aantal vogels dat sneuvelt als gevolg van (1) hoogspanningsleidingen (800.000 tot 1.000.000 per jaar), (2) verkeer (minimaal 1.000.000 per jaar) en katten (een geschat aantal van 17.000.000 per jaar). Een rekensommetje laat zien, dat voor alle windmolens op het land, het geschatte aantal vogelslachtoffers 75.000 bedraagt. Hoewel moet worden aangetekend dat al deze schattingen met een enorme onzekerheid omgeven zijn, lijkt het behoorlijk mee te vallen met het aantal door windmolens veroorzaakte vogelslachtoffers. Dat gezegd hebbende moet er natuurlijk alles aan gedaan worden om zoveel mogelijk slachtoffers te voorkomen. Onderzocht kan worden of een deel van de molens bijvoorbeeld stil gezet kan worden tijdens de vogeltrek.

In zijn algemeenheid is het zo dat de omvang van moderne windturbines zodanig is dat ze niet landschappelijk te ’verstoppen’ zijn. De windmolens zullen tussen de bebouwing van vier gemeenten niet of zeer beperkt zichtbaar zijn, maar zeker zichtbaar zijn vanuit het open landschap in de omgeving. Andere markante objecten die beeldbepalend zijn in de omgeving (bijvoorbeeld de Gerbrandytoren, 372 meter en de KNMI-mast in Cabauw 213 meter ) blijven zichtbaar en blijven hun markante waarde behouden. Bij gebruik van het open poldergebied voor fietsen of wandelen zijn de moderne windmolens, ongeacht de omvang en net als de bestaande molens van de Copen, in veel gevallen zichtbaar. Zeker bij gezichtspunten op grotere afstand kunnen verticale landschapselementen dicht bij het gezichtspunt (zoals bebouwing, (stammen van) bomen en bosschages) zicht op de windmolens deels wegnemen.

Omwonenden die denken dat er sprake is van waardevermindering van hun woning als gevolg van ruimtelijke wijzigingen in de omgeving hebben het wettelijk recht om een verzoek tot vergoeding van planschade in te dienen. Het plaatsen van de windmolens is zo’n ruimtelijke wijziging. De juridische grondslag voor planschade is vastgelegd in artikel 6.1 van de Wet Ruimtelijke Ordening. Een verzoek om planschade wordt door een onafhankelijke deskundige beoordeeld. Een maatschappelijk eigen risico is onderdeel van de beoordeling. Uit onderzoek door de Vrije Universiteit en Universiteit van Amsterdam uit 2019 blijkt dat er sprake kan zijn van daling van de woningwaarde bij windmolens hoger dan 150 meter met gemiddeld 5% (Windturbines, zonneparken en woningprijzen, Droes en Koster, 2019). De onderzoekers zien grote verschillen in effecten. Zo blijkt dat slechts 1% van de windmolens zorgt voor meer dan de helft van het waardeverlies. Dit zijn turbines met relatief veel woningen in de nabijheid. De onderzoekers stellen dat er geen eenduidigheid is over het effect van windmolens op woningwaarden. Er is altijd een project specifieke beoordeling nodig.

Windmolenparken op zee spelen een hele grote rol in de toekomstige energievoorziening, maar die energie wordt vooral ingezet voor de energie-intensieve industrie. Windmolenparken op zee kunnen niet alle in Nederland benodigde energie opwekken. We kunnen die energie dus niet “claimen”.  Daarnaast wordt de Noordzee ook gebruikt door de visserij en de scheepvaart en zijn er stukken gereserveerd voor defensie(oefeningen). Windmolens op land zijn noodzakelijk. Een ander probleem is dat te veel windmolens op een kluitje er voor kunnen zorgen dat de voorste windmolens weinig windenergie overlaten voor de windmolens er achter. De windmolens mogen niet te dicht op elkaar staan!

De energie opgave is voor élk land heel groot. Verwachten dat anderen het voor ons oplossen is geen reële optie. Het gaat ook in tegen de internationale afspraken. Dat neemt niet weg dat het op lange termijn gezien misschien verstandig is op Europese schaal energie uit te wisselen. Misschien kunnen de zuidelijk landen meer elektriciteit opwekken met zonne-energie en voor een deel naar het noorden transporteren en kunnen de noordelijke landen meer elektriciteit opwekken met windenergie en die voor een deel naar het zuiden transporteren.

Vragen met betrekking tot zonne-energie

Dit is geen vraag, maar wordt toch regelmatig gehoord. Mensen vinden de typisch blauwe kleur van panelen vaak niet mooi maar gelukkig zijn er tegenwoordig ook zwarte panelen (die goed bij zwarte dakpannen passen). Panelen kunnen eventueel ook beter in het dak geïntegreerd worden door ze  “dieper” te leggen door dakpannen weg te halen. Dat laatste gaat wel iets ten koste van het rendement. Deze panelen worden warmer doordat de wind ze minder goed kan koelen.

Zonnepanelen verdienen zich terug binnen 5-10 jaar. Dat betekent dat ze met 10 tot 20 % rendement beter renderen dan uw geld op de bank. Na deze jaren is het rendement zelfs 100%.  Het is wel zo dat een installatie, bestaande uit zo’n 10-15 zonnepanelen en een omvormer, een investering van enkele duizenden euro’s vraagt. Gelukkig bestaan er tegenwoordig steeds meer financieringsmogelijkheden  om dit geld tegen een aantrekkelijke rente te kunnen lenen.

Nee, de meeste studies laten zien dat zonnepanelen meer energie opwekken dan nodig is om ze te produceren. Hoeveel meer? Dat hangt o.a. af van waar de panelen staan. In zuidelijke landen wekken ze meer op dan in ons kikkerlandje maar volgens Wim Sinke (van het ECN) wekken panelen bij ons 9 tot 10 keer meer energie op dan de energie nodig voor hun fabricage.

Tegenwoordig gaan we ervan uit dat zonnepanelen wel 30 jaar mee kunnen gaan. In het algemeen loopt het rendement van zonnepanelen wat terug in de loop van hun levensduur. Fabrikanten garanderen vaak nog minimaal 80 % rendement (t.o.v. het rendement bij aanschaf) na twintig jaar. Waarschijnlijk is dit een heel voorzichtig gekozen waarde want er er zijn ook verhalen in omloop die minder of zelfs geen achteruitgang in de opbrengst laten zien.

Een typische levensduur is tegenwoordig 10 tot 15 jaar. Een en ander zal o.a. afhangen van de temperatuur van de directe omgeving van de omvormer. De reden hiervoor is dat een (klein) deel van de opgewekte energie in de omvormer wordt omgezet in warmte. De omvormer moet gelegenheid hebben om die warmte kwijt te raken want dat komt zijn levensduur ten goede. Het is overigens verstandig een omvormer van een gerenommeerd merk te kopen. Goedkoop kan duurkoop zijn!

In formele zin lijkt dit te kloppen: in potentie zijn zonnepanelen WOZ-waarde verhogend. Echter op de website www.binnenlandsbestuur.nl valt te lezen dat, bijvoorbeeld, de NVM constateert dat “het niet vaststaat dat zonnepanelen waardeverhogend werken”. Belangrijkste uitgangspunt is dat de WOZ waarde een weergave moet zijn van de waarde in het economische verkeer. In de praktijk wordt de waarde van een huis dus praktisch altijd bepaald door transacties van de referentieobjecten. De locatie van de woning (welke wijk, kern, dorp, stad) zegt veel meer over de waarde van een woning dan het wel of niet aanwezig zijn van zonnepanelen. Wel kun je tegenwoordig zelf in mijn BGHU aangeven wat, bijvoorbeeld, de staat van onderhoud is van een woning. Alles heel oud verlaagt de waarde en alles heel nieuw zorgt voor een hogere waarde dan gemiddeld. Maar aanwezigheid van zonnepanelen is geen issue.”

Update 21-11-2018. In de tweede kamer is een motie aangenomen van Lodders en Van Weyenberg, die stelt dat zonnepanelen niet meegenomen mogen worden in de berekening van de “Onroerende Zaak Belasting”, de OZB.

Om maar met de laatste vraag te beginnen: Zonnepanelen zijn NIET het asbest van de toekomst. Dat gezegd hebbende, staat het recyclen van zonnepanelen nog in de kinderschoenen. Een belangrijke reden daarvoor is dat zonnepanelen lang meegaan, wel dertig jaar, en het grootste aantal zonnepanelen pas de laatste jaren op daken is geplaatst. Gelukkig wordt er wel nagedacht en geëxperimenteerd met het recyclen van panelen. Het glas en het frame kunnen vrij gemakkelijk worden verwijderd en grotendeels worden hergebruikt. Zonnecellen zelf zijn vooral gemaakt van silicium dat van zand wordt “gemaakt”. Er zitten wel enkele soorten metalen in/op zonnecellen, hoewel in kleine hoeveelheden. De verwachting is dat in de komende jaren, recycling van materialen  in zonnepanelen een grote vlucht gaat nemen.